Homilie bij de uitvaart van diaken John Versteeg 

Haarlem, 2 november 2020 

Eerste lezing: 1 Kor. 13,1-8. 13 

Evangelie: (Mt. 25:14-30) 

Een jonge moeder vroeg wat ze tegen haar nog jonge kind moest zeggen, nu ouwe opa was overleden: dat hij een sterretje is geworden? 

Ouwe opa is een sterretje geworden. 

John Versteeg had haar vast verteld dat anders te doen. Hij zou haar verteld hebben over de hemel, waar de liefde woont. Over Jezus in wiens armen je geborgen bent. Over Maria die zich als een moeder over je ontfermt, je bij haar Zoon brengt én de armen tegemoet treedt en de bedroefden troost. 

Hij zou haar verteld hebben over oude kerkvaders. 

– John zou gedacht hebben aan paus Gelasius (tweede helft vijfde eeuw) en Basilius van Caesarea of Basilius de Grote (midden vierde eeuw) – 

die over de dood en de hemel spraken met de metafoor van een rups en een vlinder. 

De vlinder als een symbool van de verrijzenis van de christenen. Basilius zegt dit omdat hij de brieven van de apostel Paulus kent: ‘zoals we nu de gestalte van een stoffelijk mens hebben, zo zullen we straks de gestalte van de hemelse mens hebben.’ (1 kor. 15,49) 

Een citaat uit dezelfde brief van dezelfde apostel Paulus die ook het zo mooie Hoog-lied van de Liefde heeft verwerkt in zijn eerste brief aan de Korintiërs (1 Kor. 13) 

De vlinder is zo’n mooi symbool voor het nieuwe leven, voor de verrijzenis, dat zou John vertellen aan de jonge moeder. En vast ook dat vlinders vliegen op de adem van God. 

Maar John zou haar ook zeggen dat sterren de kleine lichten aan de hemel zijn tijdens de nacht, om de duisternis te verlichten. (vgl. Gen. 1) en dat sterren uiteindelijk ook Gods licht uitstralen over Gods schepping. 

Zou John het niet zó gedaan hebben? 

Of het nu een parochiaan was in een werkgroep; een pelgrim in Banneux of Kevelaer die troost zoekt; een luisteraar van Radio Maria, die na afloop van het programma Vonken van Hoop even zijn of haar verhaal kwijt wil; of een ziek iemand die een ziekenbrief gelezen had van het Ziekenapostolaat; of een vriend, een seminarist, een diaken of priester misschien wel een bisschop die klem zat in de kerkelijke molen en even een luisterend en begripvol oor nodig had; of iemand in eigen familiekring, een kleindochter of ander kleinkind die opi iets wilde vragen als ze het moeilijk heeft; een zoon voor wie John een échte vader was, een voorbeeld, of zijn echtgenote, voor wie John haar man en beschermengel was: 

In zijn aanwezigheid, in zijn woorden, in zijn zwijgen, in zijn gebed trad John je tegemoet met geloof, met hoop, met liefde maar vooral met liefde, zelf levend als mens en christen, als man, vader en opi en als diaken naar het woord uit de heilige Schrift, zojuist gelezen: 1 Korinte 13 

John Versteeg had als mensenmens de gaven – noem het talenten – om mensen met elkaar te verbinden, binnen de parochie of privé, of waar dan ook, zelfs over grenzen heen tot in Tsjechië. 

Mensen met God verbinden kon hij als geen ander, bij uitstek in zijn preken op zon-dag of bij een uitvaart, op een bedevaart of via de radio. En vast ook in huiselijke kring… 

Met die meegekregen talenten, of het er nu twee of vijf of tien waren, ‘ging [John] er zijn hele leven terstond mee werken en verdiende er bij’, (vgl. Mt. 25,16): twee of vijf… of tien. En van die talenten hebben zijn gezin, hun vrienden en kennissen, parochies en het bisdom, diverse organisaties de vruchten mogen plukken. 

John had ook één talent, dat hij – net als verteld wordt in het evangelieverhaal – in de grond stopte. (vlg. Mt. 25,18) Dat was het talent van “kwaad spreken en opscheppen”. Dat deed hij niet. 

John was in dit opzicht niet alleen zachtaardig maar ook bescheiden. Zeker er waren de burgerlijke en kerkelijke erkenningen maar John leefde vanuit zijn geloof en overtuiging dat hij deze talenten van God gekregen had om ze te gebruiken. En niet om erdoor naast zijn schoenen te (gaan) lopen… 

John ontving zijn talenten van God om ze te gebruiken: voor zichzelf, voor zijn directe naasten. En dat is zijn gezin. Maar dat zijn ook: parochianen die hun geloof willen vieren, pelgrims die troost zoeken, zieken die het moeilijk hebben, Tsjechen die wel een steuntje in de rug kunnen gebruiken. Dat zijn mensen zoals u en ik… 

Omdat John dit evangelie zou lezen bij zijn afscheid van deze parochie, zou hij in zijn preek, zo denk ik, mensen oproepen zich met elkaar te verbinden, samen te werken in deze geloofsgemeenschap – de gelovigen, vrijwilligers, pastores – om het geloof te vieren, om te spreken over God die liefde is, over geloof, hoop en liefde, de Grote Drie, en mensen te helpen die – om welke redenen dan ook – wat warmhartige zorg en liefde nodig hebben. 

Hij zou – op zijn typische wijze – iedereen vragen zijn tijd en talent, ja heel zijn mens-zijn, in te zetten voor de mensen om hem of haar heen in de Kerk en in de samenleving. Hij had zeker zijn blije geloof in God, Jezus en Maria én in Kerk en de wereld met ons gedeeld. 

Wellicht is u opgevallen dat dit evangelieverhaal eerder eindigt dan normaal. Het verhaal bevat nog wat extra zinnen. Een ander einde, zeg maar. 

John heeft dat gedeelte niet opgenomen in de liturgie voor zijn afscheid. Het betreft het gedeelte van het lot van de knecht die zijn talent in de grond stopte en het geld verborg. En dat betreft dit gedeelte: Nadat degenen die hun talenten hebben ingezet en vermeerderd in de vreugde van de Heer zijn binnengegaan, blijkt dat degene die zijn talent in de grond stopte niet mocht binnengaan, sterker, er staat geschreven dat de meester tegen die ene knecht zei: ‘En werpt die onnutte knecht buiten in de duisternis; daar zal geween zijn en tandengeknars.’ (Mt. 25,30) Tja, John was niet van het tandenknarsengeloof… 

Nee, in zijn leven gebruikte John zijn talenten. Hij zag talenten bij anderen en stimuleerde hen deze ook te gebruiken. Hij zag – daarbij gesteund door zijn vrouw Janny – vooral ook de noden bij anderen, en hij heeft, zij hebben bijna hun hele leven anderen geholpen. Geholpen zodat ook zij de vreugde van de Heer een beetje ervaren. 

Rest mij daarom enkel nog dit te zeggen bij dit afscheid, onder grote dankbaarheid voor wat John voor ons allemaal heeft betekend, en ik maak mij de woorden eigen van de meester die zegt tegen zijn knecht die zijn talenten had vermeerderd: 

John, 

‘uitstekend, goede en trouwe dienaar (…). 

Ga binnen in de vreugde van uw Heer.’ (Mt. 25,21) 

Amen.