HET CHARISMA VAN WILLENBORG

door B. Voete, archivaris van het Bisdom Haarlem

De 17e september 1876 werd Laurentius Jacobus Willenborg te Zaan-dam geboren. Zijn ouders waren diepgelovige mensen, die hun kinde­ren leerden, dat tij geleid werden door de hand van God. Er etraal­de een bijzondere heerlijkheid uit van de twee heerooms uit de fa­milie van peetoor J.P. Willenborg, een man, die heel wat geleden had en op 39-jarige leeftijd als pastoor te Haarlemmerliede was ge­storven en rektor P.A. Willenborg, die kort nadat Laurentiue was geboren, de zorg voor misdeelde kinderen op zich had genomen in het vormingshuis Schiefbaan Hovius.

De gesprekken over deze beide priesters en het persoonlijke kontakt met heeroom Franc hebben bijzondere indrukken bij Laurentius ach­tergelaten. Het was dan ook heel gewoon,dat hij al spoedig de wens te kennen gaf om later ook de Heer als priester te dienen. Hij studeerde voorspoedig op de seminaria Hageveld en Warmond en werd op 15 augustus 1900 door Bisschop Bottemanne tot priester gewijd. Op het seminarie had hij vriendschap gesloten met C.F. v. Beuke­ring en J. Duijmel, jongens, die de Haarlemse kerk uit hun passi­viteit wilden halen door de mensen rechtstreeks te betrekken bij het godsdienstig gebeuren. Er werd gesproken over een nieuw zicht op de liturgie en vooral de jonge Willenborg verdiepte zich in alle publikaties, die vooral op de Eucharistie betrekking hadden.

Hij diende de kerk van Haarlem als kapelaan van de Onze Lieve Vrouw Hemelvaart te Leiden (1900-1901), van de Iiyppolitus teDelft (1901-1909), van de Kathedraal St. Havo te Haarlem (1909-1917) en als pastoor te Bloemendaal van 1917-1945.

Wat was hij voor een man : Een lieve, en vooral brave priester, zo vertelt een nog levende nicht over hem. Ik heb wel eens gehoord, dat hij door zijn parochianen op de handen werd gedragen, maar of dat zo is, kan ik niet zeggen. Voor one was hij een hartelijke man, die vooral met de familie mee kon leven als er ziekte en zeer in de gezinnen was.

Welke plaats nam hij in als priester? Hij was, zo weet ik uit de verhalen van zijn oud-collega aan de Bavo, deken Jacobs, een be­scheiden man: hij wilde niet graag op de voorgrond treden en zeker niet naar voren komen als een typische drager van het ambt, zoals wij toen werden beschreven door Godfried Bomans.

Willenborg zag hij niet staan. Hij was, met zijn eigen houding, in ons gezelschap een buitenbeetje. Maar onze pastoor, PlebaanRikmespoel heeft altijd iets bijzondere in hem gezien en vaak gezegd, dat we later veel van hem zullen horen.

Wat vonden de parochianen van hem? Zij vonden hem een bijzondere zielenherder.(Over chariema werd toen nog niet gesproken) maar konden hem vaak niet goed volgen. Hij had weinig kijk op de praktische zaken, zo schreef een parochiaan uit Bloemendaal naar de Bisschop van Haarlem. Na de inrichting van de noodkerk zijn we niet veel verder gekomen en toen hij de knoop moest doorhakken, werd, naar de mening van velen, de kerk niet goed gesitueerd. Wij weten heel goed, dat hij een zeer godedienstig mens was, maar hij kwam bij ons vaak over als een eigengereide eerwaarde, wiens wil wet was. En deze parochiaan vatte op het eind van de brief het oordeel over zijn pastoor samen in deze zin: “Onze herder, overigens een voorbeeldig ijveraar, heeft als gebrek een groot fantast en idealist te zijn en ik geloof, dat hij niet ten volle beseft dat een gulden honderd centen telt.”

Willenborge geheim; gebed en lilden

Toen Willenborg priester werd gewijd, maakte de kerk een hele moeilijke periode door. Sommigen waren van mening dat de kerk en de moderne wetenschap gelijk op moesten gaan en wilden daarom Theologie en Exegese bijstellen in het licht van nieuwe opvattingen; anderen vonden de ontmoeting van Kerk en Wereld een heidens gebeuren, waar de satan de hand in had en wilden de verdedigers van een vriendschappelijke houding van Kerk en We­reld als rotte plekken in het lichaam van de kerk uitsnijden. Een van de gebieden, waar deze strijd het felst gewoed heeft, ie het Bisdom Haarlem. Beschuldigingen klonken over enl weer en het Bisdom werd beheerst door angst en vrees.

Het ie onmogelijk dat een sfeer van vrees en angst de mensen dichter brengt bij God, zo moet Willenborg gedacht hebben. De enige manie* om Gods nabijheid tastbaar te voelen, is een eer­lijk, vertrouwvol gebed. Hij meende, dat deze leefregel grond­slag was van de Liturgische Vereniging en daarom sloot hij zich al heel spoedig bij deze groep aan. Deze groep, die nieuwe lij­nen voor het godsdienstig leven ging uitzetten, werd bij de men­sen, die de Kerk van moderne smetten vrij wilden houden, ver­dacht gemaakt, maar men wist iedereen duidelijk te maken dat ge-bedeleven boven verdeeldheid stond. Binnen de Liturgische Ver­eniging heeft Willenborg de idee:in opgedaan, waaruit later het ziekenapostolaat kon komen.

In die jaren was er een vereniging gekomen, die als uitgangs­punt had: de beleving van de Eucharistie. De naam van de vereniging was het Eucharistisch Verbond, die stormenderhand het Bisdom Haar­lem veroverde en in 1917 al 13000 leden telde. Omdat het Bis­dom Haarlem beducht was voor een te grote invloed van religi­eusen via de Eucharistische Bond, werd aan het bestuur opge­legd om twee priesters van het bisdom, de pastoors Lucassen en Willenborg in de dagelijkse leiding op te nemen. Dat gebeurde in 1917 en Willenborg kreeg de post waar hij het minst geschikt voor was, n.l. die van penningmeester. Maar het ging niet om dat baantje: Willenborg voelde zich in deze kring heel goed thuis omdat ook voor hem Eucharistie leven was.

Ongeveer in diezelfde tijd heeft nog een gebeurtenis diepe in­druk op hem gemaakt, namelijk het afsterven van zijn heeroom, pastoor F.A.Willenborg te Weesp in 1916. Als uitvoerder van zijn laatste wil, was hij naar Weesp gekomen om de laatste dagen van’ zijn heeroom mee te maken en in een aantal persoonlijke brieven aan de bisschop vertelt hij hoe dat hem heeft aangegrepen.

Hij ontdekt in deze laatste strijd van zijn heeroom de plaats, die het lijden, toegelaten door God, heeft in de heilsoeconomie. In zijn eerste brief aan de bisschop, waarin hij mededeling doet van de bediening van pastoor F.A.Willenborg, zinspeelt hij “op de grote kalmte en de oude opgewektheid” en vooral “op het bewust zijn, dat wie de Heer wil volgen, zijn kruis moet dra­gen”. Zijn sterven verbindt hij met zijn gedachten over de eu­charistie en hij schrijft aan de bieschop:”Een allergrootste troost voor heeroom en voor ons ie het feit, dat het overlijden op de dag van het aanbiddingsfeeat heeft plaatsgehad. Vooral het sterven maakte diepe indruk. Toen ’s avonds de klokken luidden, zat hij rechtop als sprekende in zich zelve over het allerheiligst sacrament des altaars.” Het lijkt wat overdreven, maar mensen, die de ziel van Willenborg kunnen peilen,voelen hier duidelijk de beginselen, die de wereld tot God moeten lei­den: namelijk gebed en lijden.

Niet alleen de bisschop maar ook de Paue wilde hij deelgenoot maken van zijn opvatting hoe men gebed en lijden met elkaar moest verbinden. Hij kreeg daarvoor gelegenheid, toen hij in 1920 met een vijftig afgevaardigden van de bond op Pelgrims­tocht ging naar Rome. Er was voor de groep een speciale audi­entie gepland, maar zo noteerde Willenborg;”Alles ging heel snel en er was nauwelijks gelegenheid om wat te vragen”. De tweede Pinksterdag kregen de drie bestuurders die de tocht hadden begeleid, gelegenheid voor een persoonlijk gesprek met Paus Benedictue XV en “toen had ik gelegenheid het oordeel van de heilige Vader te vragen over mijn diepste gedachten”.

Reinilda

Toen Willenborg nog zocht naar mogelijkheden om het gebed een goe­de plaats te geven, kwam hij in kontakt met de idealist J.v. Ginneken. Deze Nijmeegse hoogleraar was bezeten van de gedachte de wereld te winnen voor Christus. Zeker had hij het idee om het evangelie te brengen naar die landen, waar men er nog nauwe­lijks van had gehoord, maar ook mocht men het heidenkind in onze grote steden niet vergeten. Hij vond gehoor bij de jonge pastoor van Bloemendaal, die naar zuetere zocht, die hem in de zielezorg konden helpen. Van Ginneken sprak enthousiast over een strijdgroep, die, te beginnen in Bloemendaal, de andersdenkenden tot God zouden brengen; Willenborg dacht echter ook aan een ge­zelschap vrouwen, dat door haar gebed het werk binnen de pa­rochie zou steunen.

Er stond nergens op papier hoe de twee standpunten van van Gin­neken en van Willenborg tot elkander zouden komen. De ometui­mige van Ginneken dacht dat de moeilijkheden vanzelf werden op­gelost als men eenmaal van start was gegaan, maar dat was het onpraktische van twee idealisten. In juli 1919 kwamen de eerste zusters, genoemd het gezelschap van Bethaniï, op het kopje van’ Bloemendaal. In december 1919 kreeg de nieuwe congregatie een voorlopige erkenning.

Van het begin af aan waren binnen Bethanië twee stromingen zichtbaar, die van overwinnend apostolaat en van de contempla­tie. Van Ginneken, die optrad als directeur, noemde hen Sint Reinilde’s strijdgenoten en Sint Lidwina’e lotgenoten. Hoewel van Ginneken veel voelde voor de Schiedamse heilige, wan het niet zijn sympathie, die hem bracht tot die naam maar vooral de conferenties die Willenborg aan de zusters gaf. Met het ge­bed verenigde hij het lijden en als vanzelfsprekend was het lichtende voorbeeld wat de zusters moesten navolgen, Lidwina.

De twee stromen binnen de congregatie van Bethaniï leiden tot grote interne moeilijkheden. Toen in 1923 een scheuring binnen de groep dreigde, greep de provinciaal van de Jezuieten, na overleg met het bisdom Haarlem, in en werd van Ginneken van zijn taak ontheven. Er werd een andere Jezuiet tot directeur benoemd, maar deze priester, die de zaak niet van de aanvang had meegemaakt, had niet zoveel direkte invloed. De opvatting van Reinilda schoof meer door naar het idee van gebed en lij­den: de onderrichting van andersdenkenden, het uitgangspunt van de congregatie, kwam op de tweede plaats.

Omdat Willenborg af wilde van het beweeglijke van de zusters van Reinilda, pleitte hij voor het afleggen van eeuwige ge­loften en een nadere omschrijving van de contemplatie. Dat ging rechtstreeks in tegen de ideeiin van van Ginneken. Mij had meerdere groepen gevormd maar hun karakter was slechts tijdelijk. Wanneer er andere methoden werden gevraagd om de

wereld te winnen voor Christus, dan die van Ginneken voor ogen stonden, moesten zijn groepen plaatsmaken en verdwijnen. Een pauselijke erkenning, waardoor zij voor altijd verbonden zouden zijn, vond van Ginneken niet juist. Willenborg daarentegen meen­de, dat de zusters beter beschermd zouden zijn door eeuwigdu­rende geloften en daarom streefde hij naar een pauselijke er­kenning, die in 1932 werd verkregen. Voor het overige werden de grondlijnen van van Ginneken gehandhaafd.

Ziekenapostolaat

Meer nog komt het charisma van Willenborg naar voren in de in­stelling van het ziekenapostolaat. In de Pinketerweek 1925 kwam het hoofdbestuur van de Eucharistische Bond bijeen om met elkaar na te denken over mogelijke aktiviteiten van eucharistie en leven. Mijmerend over de tekst in Handelingen V “Men droeg de zieken naar buiten en legde hen op rustbedden” sprak Willen-borg vol diepe ontroering•”Ja, dat moeten we doen. De zieken uit onze huizen dragen, ze naar de parochie-kerk brengen en daar voor hen een triduum houden ter ere van het heilig sakra­ment”. En omdat hij het niet alleen bij woorden wilde laten, stelde hij voor om in zijn eigen noodkerk, in het vroegere hotel Welgelegen aan de Bloemendaalseweg, van 7-9 juni 1925 zulk een oefening te houden.Hoe of het bestuur van de parochie er over zou denken, kwam er minder op aan. Het ging, zoals Willenborg voorstelde, “om het lijden te mobiliseren voor Christus”.

Dit eerste triduum, hoewel nog niet geheel omschreven, was een sukees. 124 zieken hadden zich voor deze oefening opgegeven en het hoogtepunt was de zegen met het allerheiligste op het einde van de oefening. De Eucharistieche Bond was enthousiast en vroeg hem of hij daarover een conferentie wilde houden voor zijn collega’s.

Willenborg, een bescheiden man, was niet zo gewend om voor pries­tere te spreken. Hij zag er heel erg tegen op en op de dag, dat hij het woord moest voeren, stond zijn moeder boven aarde. Op weg naar de vergaderzaal, stond het lijden en sterven van zijn moeder hem voor ogen. Hij vergeleek dit met het sterven van zijn heeroom, dat diepe indruk op,hem had gemaakt en ineene vielen alle,angsten van hem af.

Toen hij voor de priesters stond, sprak hij als een gedrevene. Het gehoor, dat zich erg kritisch had opgesteld, voelde de vonken van het vuur over hen heenkomen. Zij waren bereid met hem mee te doen om van zieken apostelen te maken. Zij moesten aan de wereld leren het lijden te aanvaarden en op te dragen voor het Rijk van God. Zo was, als door een wonder, het zieken­apostolaat geboren.

Toen Willenborg thuisgekomen was, schrok hij wel een beetje over datgene, wat hij teweeg had gebracht. Hij had de stoot gegeven aan de oprichting van een godsdienstige vereniging en dat mocht onder geen beding buiten de kerkelijke overheden om. Hij wist als bestuurslid van de Eucharistische Bond, dat de kerkelijke leiding, wanneer deze niet goed was ingelicht, de mooiste ini­tiatieven in de kiem te smoren.

Daarom ging hij de volgende dag naar het bisdom om zijn zaak te bepleiten. En hoewel het niet gemakkelijk was bisschop Callier te benaderen, gelukte het hem en de bisschop zeide hemg”Gaat uw gang. Als het lukt de zieken bijeen te brengen in een aposto­laat, dan zal ik u steunen”. Met deze belofte ging hij naar huis. Hij wist zuster Caseandra van de wijkverpleging als eerste voor het sekretariaat aan te trekken.

Deze hulp was nodig, want na de oproep aan zijn collega’s was uit verschillende plaatsen een leger van zieken opgetrokken om een apostolaatsgroep te vormen. Hij wilde hen allen een riem onder het hart steken door elke maand een persoonlijke brief te sturen. De eerste Ziekenbrief werd in november 1925 verzonden en de zuster verzorgde dit vanuit een haastig ingericht aekre­tariaat.

Ook het idee van ziekentriduum sloeg aan. Men volgde dit na in’ Amsterdam, Rotterdam, den Haag, Leiden, Utrecht en Nijmegen, maar de inspirerende bron bleef de oefening in het eenvoudige kerkje van Bloemendaal.

Ook in het buitenland toont men grote belangstelling voor het apostolaat. Ariëne heeft voor Willenborg kontakten gelegd met Duitsland. Deze heeft te Lauterdorf een onderhoud gehad met de belangrijke Jezuiet Sudbrack, die grote invloed had in West-Duitsland. Hij arrangeerde voor Willenborg spreekbeurten in Keulen, Mainz en Coblenz en in het voorjaar van 1926 ging daar het apostolaat van start. De Belgische kapelaan v.Hoeck was zijn grootste supporter bij de zuiderburen. Die verspreidde op zijn manier de boodschap van Willenborg in Belgi. In Frankrijk kreeg hij de steun van de bekende abt van de Benedictijnen Dom Puniït en deze kreeg het voor elkaar om in de Notra Dame en de Sacre Coeur in Parijs grootse tridua voor de zieken te houden. Vanuit Engeland kwam het verzoek van kardinaal Bourne van Weetminster om deze nieuwe vruchtbare vorm van apostolaat te bespreken. Een lid van de bisschoppelijke staf, pater Vaughan, werd aangewezen om een afdeling in Engeland op te richten.

De diep bewogen pastoor Willenborg zag in dit allee de vinger­wijzing Gods, dat het een goed werk was. Hij gaf een uitvoerig verslag van deze ontwikkeling aan bisschop Callier en ontving de volgende brief op 10 mei 1926 van de bisschop terug, die geldt als officiele erkenning.

“Na het laatste verslag, door U uitgebracht omtrent de versprei­ding van het ziekenapostolaat, alsmede omtrent de overal zich uitende verlangens om een eucharistisch triduum voor de zieken te doen houden, voelen wij een behoefte om langs deze weg, U Weleerwaarde Heer, nogmaals de verzekering te geven van onze goedkeuring. Van de beginne af hebben wij uwen arbeid gezegend en met belangstelling gevolgd. Wij hebben niet opgehouden God te bidden, dat de gedachte die aan dit werk ten grondslag ligt, door allen mogen worden begrepen. Want geduldige, opofferende,’ heilige zieken zullen de wereld kunnen redden van haar morele ondergang”.

Op advies van directeur Eras van het Nederlandse college vraagt bisschop Callier in Rome aan of men dit apostolaat tot pia unio mag verheffen; dat Rome dus volledig staat achter het zieken­apostolaat, wat in Holland is begonnen. Dat alles werd goedgekeurd in augustus 1926, dus een jaar na de. toespraak tot de priesters, staat het apostolaat als levende beweging binnen de kerk.

Verspreiding

Na deze positieve reakties over de werking van het ziekenapos­tolaat marcheert het leger van zieken, dat de mensen wil be­geleiden naar God steeds verder en krijgt alle mogelijke landen in haar greep. Het werk wordt met enthousiasme ingevoerd in Spanje, Portugal, Italië en Polen. Men sticht afdelingen in °oef-Afrika en Madagaskar; men krijgt geweldig veel sympathie in Noord-en Zuid Amerika. De aartsbisschop van Wiscounein (Milwaukee) meent dat men het Amerikaans moet aanpakken. De mogelijkheden tot verspreiden van de apostolische taak van de zieken zijn groter: Amerika kan veel meer gead in de propoganda steken en trraagt of Willenborg met zijn hele sekretariaat naar Amerika wil komen en daar de hoofdzetel in Wiscounein te ves­tigen. Willenborg wijst dit aanbod af, zich beroepende op het feit “dat onze bisschop zeker niet gaarne zou zien dat de hoofd­zetel van het apostolaat buiten zijn bisdom zou worden geplaatst”.

Maar ondanks alles is er wat jaloerse tegenwerking in eigen kring. De wat bekrompen bisschop van den Bosch A.F. Diepen, beklaagt zich over oneerbiedigheden, die bij het houden van tridua schering en inslag zijn. Hij heeft verslag gekregen

van de tridua in Tilburg en Nijmegen en constateert “dat allerlei versnaperingen tot tabak toe werden opgedrongen en verkegen”. Daar ie de kerk niet de geschikte plaats voor en hij adviseert uit te wijken naar parochiezalen. Ofschoon Gallier in zijn levenshouding uitermate streng was, vond hij de opmerkingen over kleine attenties aan de zieken klein­zielig en hij beantwoordde de brief niet. 

In 1928, toen nadere inetrukties over ziekentridua werden ge­geven vanuit de ongregatie van de Riten, kon de bisschop zijn opmerkingen niet voor zich houden, dat in Haarlem onbeperkte mogelijkheden waren om kerken voor zieken te gebruiken, in den Bosch echter – en daar was hij blij om – beperkte.

Maar de bisschop bleef geheel achter Willenborg staan. Toon probeerde hij hem op een andere manier te vangen. Haarlem deed nu wel groot, dat vanuit dit bisdom het ziekenapostolaat was opgezet, maar wist de bisschop wel dat het al in 1922 in Duitsland was begonnen? “Ik bewonder het idealisme en de propa­gandistische kracht van pastoor Willenborg” zo schrijft hij aan bisschop Aengenent, “doch ik moet er tegen opkomen, dat Zijn Eerwaarde het voorstelt alsof hij begonnen is met het z.g. ziekenapoetolaat en op die grond vraagt in Rome een prima pi­maria (d.w.z. een allereerste apostolaatsvorm) te mogen worden”. Aengenent die een tijdgenoot was van Willenborg, verzocht be­leefd en vriendelijk om voortaan deze priester met een bijzonder charisma met rust te laten. 

De belangstelling vanuit Rome werd steeds groter. 29 december 1926 schonk de Paus door kardinaal Gasparri aan de 3800 leden van het ziekenapoetolaat zijn bijzondere zegen, In 1929 werd Willenborg in een persoonlijke audi;ntle door Plus II ont­vangen. De pastoor deelde de Paus mede, dat op de dag dat hij in Rome werd ontvangen, de leden van het apostolaat hun lijden voor de Paus zouden opdragen. De Paus was, zo vertelde Willen-borg, diep onder de indruk. “Ik ken uw werk sinds enkele maan­den” zo zei de Paus “en ik heb er de diepste bewondering voor. Ik zou graag willen, dat U middelen in overweging zou willen nemen om het ziekenapoetolaat meer mondiaal te maken. Het is een goed werk, lijden ia voor de ontwikkeling van de kerk van belang: het ie een betere vorm van gebed”.                                                                     •

Maar de Paus kon nog zo goed denken over het apostolaat, om be­paalde gunsten te verkrijgen moest men yaak een langdurige weg bewandelen. Dat was onder meer het geval met de aanvraag  “prima primaria” voor de vereniging. Niet dat er in Rome aan­dacht werd geschonken aan speldeprikken, zoal bisschop Diepen kon toedienen, neen, het was gewoon een teak van bureaucratie. De stukken moesten op afhandeling wachten en pas in 1934 kwam de toestemming, dat het ziekenapostolaat de titel van “prima primarie” mocht dragen.

Hoewel het ziekenapoetolaat een zuiver godsdienstige vereniging was en dus van de Duitse bezetters niets had te vrezen, vond Willenborg het noodzakelijk om tegen een groot lichaam aan te leunen. Na langdurig beraad binnen het bestuur, werd er 16 januari 1942 een verzoek gericht aan de bisschop van Haarlem om het ziekenapostolaat als onderdeel van de kerkprovincie te beschouwen en de aktiviteiten van haar te laten uitgaan.

Wanneer het právé gebeurde, kon men tridua verhinderen met de opmerkingen dat samenscholingen van veel mensen gevaarlijk zouden zijn. Wanneer men een onderdeel van de kerkprovincie was, zou de bezetter niet zo gemakkelijk deze bezwaren naar voren brengen. De bisschop van Haarlem vroeg advies van de juridische adviseur van de kerkprovincie en toen deze meende, dat het een verstandige zet kon zijn om zo ongestoord verder

te gaan, werd 4 maart 1942 bepaald dat het ziekenapostolaat als zelfstandige vereniging voorlopig werd opgeheven en als deel van de kerkprovincie verder ging funktioneren. De nieuwe start van het apostolaat, in zekere zin de glorietijd van dit zieken­werk, heeft hij niet meer kunnen beleven. Een half jaar na de oorlog, de 13e december 1945 is hij rustig afgestorven.

Wat betekende Willenborg voor Bloemendaal?

Men had eerbied voor hem, r’mdat men respekt had voor zijt] vroom­heid. Maar als men in Bloemendaal vroeg: was hij een echte pastoor, een goede bestuurder? dan schudt men het hoofd.

Met enthousiasme is hij in 1715 met de voorbereiding van de parochie begonnen. Mij liet zich informeren door kapelaan van Eden, die tot dan toe vanuit Haarlem voor Bloemendaal had ge­zorgd. Hij hoorde dat er 97 gezinnen waren, waarvan 16 gemengd. Er woonden 316 communicanten, van wie er 28 hun plichten niet meer vervulden. Er heerst, zo schreef hij in een verslag van 1915 aan het bisdom, een heidense geest. Hij noemde het een uitdaging om tegen deze geest in te gaan “door de mensen te leren leven door de Vader, door de Zoon en door de Heilige Geest” maar veel verder dan de titel van de kerk, die van’

de Drieeenheid, is hij niet gekomen. Tijd voor persoonlijk kontakt was er niet: hij kon zijn charisma in een plaats als Bloemendaal niet aanwenden om godsdienstige vernieuwing te brengen. Ofschoon de mensen zeer gelukkig en tevreden waren met de noodkerk in een voormalig hotel, wae het de bedoeling niet. Men had een goed kerkelijk centrum nodig en daar is onder Wil­lenborg niet veel van gekomen.

Wat betekende Willenborg voor het bisdom Haarlem?

Op de plaatsen waar hij werkzaam ie geweest, liet hij een beeld’ achter van een godsdienstige, maar wat vreemde man. Ofschoon hij vriendelijk was en hartelijk, had hij met de priesters uit het bisdom weinig omgang. De charismarische Willenborg paste niet bij die echte burgermeneen, waaruit de Celerg; van Haarlem in die dagen bestond. Men had een zeker ontzag voor hem en eenmaal, bij zijn toespraak van 12 augustus 1925, voelden ze zich gegrepen, maar verder betekende de persoon van Willenborg weinig voor hen. Voor zijn bisschop was hij een gehoorzaam, vroom prieeter, die toch een eigen weg volgde en niet helemaal paste in het eigen wereldje van het Haarlemse bisdom.

Wat betekende Willenborg voor de wereldkerk?

Door zijn charisma is hij in de wereld een profeet geweest en zijn stem klonk tot de grenzen der aarde. Hij leerde zusters bidden en offeren maar vooral verzamelde hij overal de zieken om hen dienstbaar te maken voor de Kerk.

Beladen met een woord uit de Handelingen, waarvan hij in de eerste aanvang de volle betekenis nog niet had doorzien, heeft hij van de zieken bewuste volgelingen gemaakt van de Heer, men­sen die leefden vanuit de overtuiging: “Zo iemand mijn leerling wil zijn, dan neme hij zijn kruissop en ga achter mij aan”.

Hij heeft onder de lijdenden over de hele wereld grote ont­roering opgeroepen. Zijn betekenis is, wat Pius XI hem vroeg, mondiaal geworden. Willen-borg heeft zijn leven geheel en al ingezet voor de wereldkerk. Daar ligt zijn bijzondere kracht.

Besluit

Het is goed om bij de zestigste verjaardag van het ziekenapos­toliat deze profeet met zijn chariema dankbaar voor de geest te halen. De inschakeling van de zieken in de heilsoeconomie

van de kerk vinden we nu heel gewoon, maar daarmede te beginnen, was een bijzondere gebeurtenis. Misschien was deze aktiviteit binnen de wereldkerk ook zonder Willenborg wel op gang geko­men, maar of dan dit werk gedragen werd door een charisma, dat uitging van de stichter, ie niet zo zeker.

Willenborg is een van de voortrekkers geweest, zoals de wereld­kerk er zoveel heeft gekend. Gedreven door de heer ging hij de zieken voor, in een voud de hartens alles opdragend aan de Heer. En op de zestigste vertjaardag van de geboorte van dit apostolaat kijkt men even achterom: men volet zich dan geroepen om het charisma van Willenborg in eigen kring verder uit te dragen.